Â
Â
Biologie en Chemie zijn met elkaar verbonden.
Materie bestaat uit chemische elementen en in combinaties van elementen die we bindingen noemen. Alle organismen op aarde bestaan uit materie. Materie is iets wat ruimte in neemt. Materie bestaat in verschillende vormen hierbij kan je denken aan: Stenen, metalen, oliën, gassen en dieren zijn maar een paar voorbeelden van materie.
Elementen en verbindingen
Materie is gemaakt uit elementen. Elementen kunnen niet verder afgebroken worden door chemische reacties. Vandaag de dag hebben chemici 92 verschillende elementen geïdentificeerd in de natuur: Goud, kopen, zilver, koolstof en zuurstof zijn een paar voorbeelden hiervan. Elk element heeft een eigen symbool dit is vaak de eerste letter van de naam van de naam. De naam kan afgeleid zijn van Latijns of Duits. Een verbinding is een binding van 2 verschillende elementen. Een voorbeeld hiervan is tafelzout(NaCl), deze verbinding is een combinatie van Natrium(Na) en Cloride(Cl) in een combinatie van 1:1. Pure Natrium is een metaal terwijl pure Chloride een giftig gas is. Als verbinding in de vorm na NaCl(tafelzout) is de verbinding wel eetbaar. Water(H 2O) een andere binding van elementen bestaat uit waterstof(H) en zuurstof(O) in een 2:1 combinatie. Een verbinding heeft andere eigenschappen dan de elementen waaruit hij bestaat.
Essentiële elementen van het leven.
Van de 92 elementen die we kennen zijn er ongeveer 25 van belang voor het leven op aarde. 96% van alle levende materie bestaat uit maar 4 van deze elementen: Koolstof, zuurstof, waterstof en stikstof. Fosfor, zwavel, calcium, kalium en een aantal andere elementen zijn verantwoordelijk voor de overige 4% van het organisme. Tekort aan een van deze elementen kan van grote invloed zijn op het leven. Bijvoorbeeld een tekort aan stikstof bij planten zorgt voor een verstoorde groei. Spoor elementen zijn de elementen waarvan een organisme maar een klein beetje nodig heeft. Ijzer(Fe) is een element wat elk levend organisme nodig heeft in maar kleine hoeveelheden. Bij gewervelde organismen is het element jodium een belangrijk element wat nodig is voor het hormoon dat de schildklier produceert. Een kleine hoeveelheid van 0.15 milligram is genoeg voor een normale functie van de schildklier. Jodium tekort bij mensen zorgt voor een abnormale groei van de schildklier.
De eigenschappen van het element zijn afhankelijk van de structuur van zijn atomen.
Elk element bestaat uit atomen. Elk element bestaat uit verschillende atomen. Met andere woorden we kunnen elementen herkennen aan hun atomen. Het atoom is het kleinste stukje materie wat er is. Het element koolstof bestaat uit 1 koolstof atoom, dit element word weergegeven met de hoofdletter C(Carbon). Dit betekent dat als we 2 koolstofatomen hebben we dit weer geven met C 2.
denk bijvoorbeeld aan water(H2O) deze stof bestaat dus uit 2 Waterstof atomen(H) en een zuurstof atoom(O).
Hoewel het atoom het kleinste stukje is wat nog eigenschappen van het betreffende element heeft bestaat een atoom toch nog uit kleinere stukjes. Deze deeltjes worden ook wel subatomaire deeltjes genoemd het zijn de kleinste delen van het atoom. Het atoom is opgedeeld in heel veel verschillende subatomaire deeltjes maar toch zijn er maar 3 deeltjes relevant te weten: Neutron, Proton en elektron. De neutron is elektronisch neutraal terwijl de proton en het elektron elektrisch geladen zijn. Protonen en neutronen zijn samengepakt in een kern die we ook wel atoom nucleus noemen. De protonen geven het atoom een positieve lading terwijl het elektron zorgt voor de negatieve lading. De elektronen hangen in een soort van wolkje om het nucleus heen. Het neutron en proton zijn bijna gelijk in massa(1,7* 10-24 ) gram. Om deze reden is gram geen handige meeteenheid voor atomen en wordt de eenheid dalton gebruikt. De dalton is gelijk aan de atoom massa van het atoom. Een neutron en een proton hebben een massa die dicht in de buurt ligt van dalton. Omdat de massa van een elektron zo veel kleiner is ongeveer 2000x kleiner kunnen we het gewicht van het elektron negeren. Een voorbeeld is een waterstof atoom heeft 1 neutron en een 1 proton ,omdat het gewicht van het neutron en de proton samen 1 dalton is, is dus het gewicht van het waterstof atoom 2 dalton.
Atomisch nummer en de massa.
De atomen van verschillende elementen verschillen van hun atomische deeltjes. Alle atomen van het zelfde element hebben het zelfde nummer van protenen in hun nucleus. Het nummer van protonen is uniek voor elk element en wordt daarom ook het atoom nummer genoemd, het atoom nummer wordt weergegeven in subscript links van het element 2He wil dus zeggen dat het element bestaat uit 2 neutronen. Omdat een element altijd neutraal is(of dit moet anders aangegeven worden) heeft het element dus ook 2 elektronen met andere woorden met het atoom nummer weet je dus hoeveel protonen en elektronen een atoom heeft. Om er achter te komen hoeveel neutronen een element heeft hebben ook nog de atoom massa. De atoom massa is de som van neutronen+ protonen. Zo weten we dus als de massa van een atoom 20 is en het aantal protonen 10 is dat het atoom 10 protonen heeft, 10 elektronen heeft en 10 neutronen heeft. Het zelfde geld bij: Een atoom met een atoom massa van 23 die op zijn beurt 11 protonen heeft, nu heeft het atoom dus 12 neutronen 11 protonen en 11 elektronen. Simpeler gezegd de atoom massa min het aantal protonen levert het aantal neutronen op.
Isotopen.
Alle atomen van een element hebben hetzelfde aantal protonen, toch hebben sommige atomen wel meer neutronen dan andere atomen van hetzelfde element. Door deze eigenschap is de massa van deze atomen dus groter dan die van atomen met minder neutronen. De verschillende atomische vormen noemen we isotopen van het element. Als voorbeeld 3 isotopen van het element koolstof.. Het meest voorkomende isotoop is koolstof-12, 12/6 C atoom, in de natuur bestaat 99% van het koolstof uit dit atoom. Het isotoop heeft hier 6 neutronen. Het overblijvende koolstof atoom bestaat voornamelijk uit het isotoop 13/6 C dit isotoop heeft 7 neutronen. Het derde en minder voorkomende koolstof atoom is 14/6 C dit atoom heeft 8 neutronen. Houdt hier in acht dat alle koolstof atomen 6 protonen hebben, zou dit anders zijn dat is het namelijk geen koolstofatoom. Hoewel dus isotopen van verschillende elementen verschillende massa’s kunnen hebben geven ze wel de zelfde reactie tijdens chemische processen. 12/6 C en 13/6 C zijn stabiele isotopen, dit wil zeggen hun nuclei laat geen deeltjes los. Het isotoop 14/6 C heeft dit niet, dit isotoop wil zijn deeltjes nog wel eens afstoten en is om die reden radioactief. Een radioactief isotoop geeft dus spontaan deeltjes en energie af, het nuclei vergaat spontaan. Als de nuclei vergaat en dus zijn deeltjes afgeeft dan kan hij dus ook protonen afgeven. Wanneer het atoom protonen afgeeft veranderd het atoom nummer en de eigenschap van het atoom. Een voorbeeld is dat radioactief koolstof vergaat van vorm naar stikstof. Radioactieve isotopen worden toch in de wetenschap veel gebruikt. Zo kan aan de hand van radioactiviteit gemeten worden hoe oud de fossielen zijn. Ook zijn radioactieve isotopen handig bij het volgen van atomen door het metabolische systeem, het chemische proces binnen een organisme. Cellen gebruiken radioactieve elementen net zoals ze een normaal element gebruiken alleen kunnen we radioactieve elementen traceren. Hoewel radioactieve isotopen erg handig zijn in de wetenschap en medische wereld zijn ze ook gevaarlijk. Radioactieve isotopen beschadigen namelijk de moleculen. De hoeveelheid waarin dit gebeurd is afhankelijk van de hoeveelheid het organisme aan radioactiviteit opneemt.
Het energie level van het elektron.
Wanneer twee atomen op elkaar afkomen tijdens een chemische reactie, dan komen hun nuclei niet dicht genoeg bij elkaar om te reageren. Van de drie deeltjes die we kennen van het atoom heeft alleen het elektron effect op chemische reacties bij atomen. De elektronen van een atoom variëren wat betreft hun energie. Energie wordt gedefinieerd als de capaciteit waarin in verandering plaats kan vinden, bijvoorbeeld met werk gebruik je energie. Potentiële energie is het energie wat de materie bevat door zijn positie of structuur. Water op een heuvel heeft potentiële energie door zijn hoogte. Wanneer de sluizen van een dam open gaan kan deze energie gebruikt worden om werk te doen voor generatoren. Omdat hierbij energie wordt gebruikt heeft het water boven aan de heuvel meer energie dan onderaan de heuvel. Materie heeft de neiging om in een zo laag mogelijke energie status te gaan. Zo wordt er dus energie vrijgegeven als het water van de heuvel af gaat. Om het water weer boven op de heuvel te krijgen is er energie nodig om het water naar boven te krijgen tegen de zwaartekracht in. Elektronen van een atoom hebben potentiële door de manier waarop ze gerangschikt liggen rondom de nuclei. De negatieve elektronen worden aangetrokken door de positieve nucleus. Het kost meer werk om een elektron verder van de nucleus te krijgen dan dichterbij om deze reden is de afstand van het elektron tot de nucleus bepalend voor het energie niveau. Water dat van de heuvel af naar beneden gaat verliest constant energie, de energie die een atoom verliest is niet constant dit gaat in stappen. Hierbij kan je denken aan een bal die van de trap af valt en tree voor tree naar beneden gaat. De bal heeft verschillende hoeveelheden energie, dit is dan weer afhankelijk van de trede waarom de bal zich bevindt. Het potentiële energie gehalte van een elektron is afhankelijk van zijn energie level. Een elektron kan niet tussen twee energie niveaus inzitten. De energie van een elektron is gerelateerd aan zijn gemiddelde afstand tot de nuclei. Elektronen zitten in verschillende elektron banen om de nucleus heen, elke baan met zijn eigen afstand en energie niveau. De eerste baan zit het dichtst bij de nucleus en heeft het minste potentiële energie niveau, de tweede baan zit iets verder van de nucleus en heeft iets meer potentiële energie, de derde baan zit het verst van de nucleus en heet het meeste potentiële energie. De elektronen kunnen van baan wisselen maar dit kan dus alleen wanneer ze meer energie krijgen of juist minder energie. Licht kan er voor zorgen dat een elektron meer energie krijgt, dit is ook het geval bij fotosynthese in de bladeren. Als een elektron zijn energie verliest zal hij een baan dichter bij de nucleus komen, meestal wordt de energie dan als hitte aan de omgeving afgegeven.
Elektronen en chemische eigenschappen.
Het chemische gedrag van een elektron is bepaald door hoe de elektronen bewegen door de verschillende banen rondom de nucleus. In het bijgaande figuur zie je dat atomen in drie verschillende niveaus van banen hebben namelijk een eerste baan, tweede baan en derde baan. Waterstof(H) en helium(He) hebben maar een baan, op deze baan heeft waterstaf 1 elektron en helium 2 elektronen. De volgende baan begint met lithium(Li) en eindigt met Neon(Ne), de eerste baan heeft altijd 2 elektronen en bij de tweede baan heeft lithium(Li) 1 Elektron en Neon(Ne) 8 elektronen. De eerste baan kan niet meer dan 2 elektronen bevatten, de tweede baan kan niet meer als 8 elektronen houden en de derde baan kan ook niet meer als 8 elektronen bevatten. Het aantal elektronen in de buitenste baan beïnvloed de chemische reactie van het atoom. De buitenste baan van het atoom noemen we ook wel de Valence Shell, de elektronen in deze baan noemen we de Valence elektronen. Helium(He), Neon(Ne) en Argon(Ar) hebben hun Valence Shell compleet deze atomen reageren niet met andere atomen ze zijn niet reactief. Wanneer een atoom zijn valence Shell niet compleet heeft dan kan hij reageren met andere atomen. Hierbij kan je denken aan Natrium(Na) dit kan reageren met Chloor(Cl) en Fluorine(F) al deze atomen hebben namelijk hun valence Shell niet compleet.
Elektron banen.
Â
In de vroege 20ste eeuw werden de elektron banen van een atoom gevisualiseerd als ringen rondom de nucleus, ongeveer het zelfde idee als dat de planeten om de zon heeft draaien. Het is nog steeds handig om twee dimensionale diagrammen te gebruiken om de elektronen te laten zien. De banen laten echter een gemiddelde afstand zien tussen de elektronen en de nucleus. Het diagram geeft dus niet een echt beeld van het atoom in de realiteit weten we namelijk niet de echte afstand van de elektronen in een atoom. Wat we dus kunnen doen is beschrijven waar de elektron zich 90% van de tijd bevindt, dit noemen we een baan. Elke elektron shell heeft een verschillende niveau van energie vorm en oriëntatie. Je kan een elektron shell zien als een onderdeel van het elektron. Het eerste elektron shell heeft een bolvorming baan deze noemen we (1s), de tweede shell heeft vier bolvormige banen een groot bolvormige baan(2s) en drie ballon vormige banen die we (2p) noemen. De derde baan heeft ook s en p banen en ook andere vormen van banen. In een baan kunnen zich niet meer dan twee elektronen bevinden. De 1s baan kan niet meer dan twee elektronen bevatten, de 4 banen van de 2s en 2p kunnen samen 8 elektronen bevatten. De elektronen hebben ongeveer dezelfde energie in deze banen alleen bewegen ze in andere ruimtes. Het reageren van atomen gebeurd doordat elektronen zich niet in paren bevinden. Denk bijvoorbeeld aan waterstof, Natrium, chloor en koolstof.
De functie van moleculen hangt af van de chemische reactie van verschillende atomen.
Atomen met een incomplete valence shell kunnen een chemische reactie vormen met andere atomen met een incomplete valence shell. Ze delen de elektronen om zo een complete valence shell te vormen. Hierdoor blijven de atomen dicht bij elkaar en vormen ze chemische verbindingen. De sterkste bindingen zijn Covalente bindingen en Ionische bindingen.
Covalente bindingen.
Een covalente binding is het delen van 2 elektronen door 2 atomen. Neem bijvoorbeeld een waterstof atoom dit atoom heeft 1 elektron en kan er 2 dragen. Door deze eigenschap kan een waterstof atoom zich binden met een ander waterstof atoom en daardoor zijn Valence shell compleet maken. 2 atomen die bij elkaar komen door covalente bindingen noemen we moleculen. In het voorbeeld hiervoor gegeven is dit dus een watermolecuul. Dit kun je weergeven door de lewis dot structuur. 2 waterstof atomen die zijn gebonden door covalente binding worden in het lewis dot structuur op de volgende manier weergegeven H:H een andere manier van een verbinding weergeven is H-H. H:H geeft aan dat de atomen samen 2 elektronen delen. Het H-H voorbeeld geeft aan dat er 1 verbinding is. Deze manier van schrijven geeft aan dat er 2 atomen verbonden zijn en deze structuur noemen we de structuur formule. H2 is de molecuul formule hierbij wordt simpel weergegeven dat het molecuul uit 2 atomen bestaan namelijk 2 x waterstofatoom. Zuurstof atomen hebben 6 elektronen in hun valence shell en komen dus 2 elektronen tekort. Wanneer 2 zuurstof atomen reageren delen ze dus 2 elektronen in plaats van een elektron, deze binding word daarom ook wel een dubbele covalente binding genoemd. Wanneer er een binding vormt met een andere atoom completeert het valence shell van de atomen dus. De capaciteit waarin atomen zich kunnen binden met andere atomen wordt weergegeven in Valence normaal gesproken reflecteert dit het aantal elektronen wat niet een paar vormt. Zo weet je dus dat de Valence van zuurstof 2 is terwijl de valence van koolstof 4 is. De moleculen water(H2) en zuurstof(O2) zijn pure elementen en worden geen binding genoemd. Bindingen zijn namelijk 2 verschillende atomen. Om dezelfde reden is H2O dus wel een binding. Een zuurstof atoom is 2 waterstof atomen nodig om zijn valence shell compleet te maken. Een ander molecuul dat een binding is noemen we Methaan(CH4). Het koolstof atoom is 4 waterstof atomen nodig om zijn valence shell compleet te krijgen. Elektronegativiteit is de naam die we geven voor de attractiviteit van de elektronen. Hoe meer elektronegatief het atoom is hoe meer het een gedeeld atoom naar het atoom getrokken word. In een covalente binding tussen 2 elementen van het zelfde soort zijn de elektronen samen even elektronegatief een binding waarin de elektronen gelijkwaardig gedeeld zijn noemen we een non-polaire verbinding. De covalente binding van 2 waterstof atomen(H2) is non-polair net zoals de binding van 2 zuurstof atomen(O2). In andere bindingen van atomen waarin de ene atoom meer gebonden is aan een elektronegatief atoom worden de elektronen niet gelijk verdeeld. Deze binding noemen we een polaire covalente binding. Zulke bindingen variëren in hun polariteit, dit is weer afhankelijk van de elektronegatieviteit van de twee atomen samen. De binding tussen een 2 waterstof atomen en een zuurstof atoom is erg polair. Zuurstof is een van de meest elektronegatieve atomen van alle elementen, ze trekken gedeelde atomen veel meer aan dan water atomen dan doen. Hierdoor bedingen de gedeelde elektronen zich dichterbij de nucleus van het zuurstof dan dat van het waterstof atoom. Wanneer een binding meer negatief is dan wordt dit aangegeven met δ - of Delta min en als ze een positieve binding hebben dan is het delta positief of δ +. Bij H2O is het dus zo dat de O een meer Delta negatief is en H delta positief is.
Ionische bindingen.
In sommige gevallen zijn de atomen zo verschillend in hun aantrekkingskracht van valence elektronen dat het meest elektro negatieve atoom een elektron van zijn gebonden atoom partner afneemt. Dit gebeurd bijvoorbeeld bij Natrium(Na) en Chloor(Cl) elkaar gaan binden. Het natrium atoom heeft 11 elektronen en het chloor atoom heeft 17 elektronen. Het chloor atoom trekt 1 van valence elektronen helemaal van het natrium atoom af, hierdoor krijgt chloor 18 atomen en houd natrium er 10 over. De buitenste valence shell van natrium verdwijnt en de tweede ring wordt nu de valence shell en is compleet. Het chloor atoom heeft nu 18 elektronen en heeft zijn valence shell ook compleet. Omdat het natrium atoom nu dus 11 protonen heeft en 10 elektronen is het atoom positief geladen +1. Een geladen atoom of molecuul is een ion. Een positief geladen Ion heet een cation en een negatief geladen Ion draagt de naam anion. Het chloor atoom heeft een elektron overgenomen van het natrium en heeft dus 18 elektronen 17 protonen hierdoor is het chloor atoom negatief geladen -1. Cationen en anionen trekken elkaar aan dit fenomeen heet een ionische verbinding. Twee ionen van verschillende polen trekken elkaar aan, ze hoeven hiervoor niet perse een elektron van elkaar hebben afgenomen. Verbindingen die gevormd zijn door ionische bindingen noemen we ion bindingen. Ion bindingen zijn anders covalente bindingen omdat bij covalente bindingen het molecuul bestaat uit vaststaande grote en hoeveelheden atomen. De omgeving is van invloed op de sterkte van de Ionische verbinding. Een voorbeeld is tafelzout(NaCl) in harde vorm is het moeilijk te breken en ben je een hamer nodig maar zodra je het in water stopt lost het op in het water. Ionische verbindingen zijn veel gemakkelijker te verbreken dan covalente bindingen dit komt omdat elk ion apart afgeschermd wordt.
Zwakke chemische verbindingen.
In organismen bestaan de meest sterkte chemische bindingen uit covalente bindingen, deze linken atomen om zo cel moleculen te vormen. maar zwakker hechting binnen en tussen de moleculen is ook onontbeerlijk, dragen sterk bij aan de belangrijke eigenschappen van het leven. De meest belangrijke grote moleculen worden bij elkaar gehouden door zwakke bindingen. Deze zwakke bindingen zijn een voordeel in het leven, doordat ze makkelijk bij elkaar kunnen en communiceren met elkaar kunnen ze net zo makkelijk uit elkaar weer. Sommige zwakke chemische bindingen zijn erg belangrijk voor organismen.
Waterstof bruggen.
Onder de meest zwakke ionische verbindingen zijn waterstofbruggen zo belangrijk dat ze speciale aandacht krijgen. Een waterstofbrug vormt wanneer een waterstof atoom zich covalent bind met een elektro negatief atoom en aangetrokken wordt door een ander elektronegatief atoom. In levende cellen zijn de elektro negatieve bindingen vaak zuurstof en stikstof atomen.
Van der Waals verbinding.
Zelf moleculen die niet polair gebonden zijn kunnen negatieve en positieve ladingen hebben. Elektronen zijn niet altijd gelijk verdeeld over het atoom en om die reden kan het zijn dat ze ook met andere atomen een binding vormen. Het resultaat in een constant veranderende positief en negatief geladen deel in een gebied waardoor atomen en moleculen zich met elkaar kunnen blijven verbinden. Deze verbinding heet een van de Waals verbinding en komt alleen voor wanneer Atomen erg dicht bij elkaar zijn. Ondanks dat de van de Waals verbinding geen sterke binding is dit wel de reden waarom een gekko tegen een muur op kan lopen. De gekko heeft heel erg veel kleine haartjes op zijn voeten en de van der Waals reactie zorgt ervoor dat de hoeveelheid kleine bindingen het gewicht van de gekko kunnen dragen.
Molecuul vorm en functie.
Elk molecuul heeft een karakteristieke grote en vorm. De precies vorm is van belang in zijn functie binnen een cel. Een molecuul zoals Water(H2) of zuurstof(O2) is altijd lineair, maar moleculen die meer dan twee atomen hebben zijn soms erg gecompliceerd in vorm. Deze vormen worden bepaald door de positie van de banen van het atoom. Wanneer een atoom een covalente binding aangaat worden zijn banen in de valence shell opnieuw geordend. Atomen met valence elektronen in zowel s en p banen vormen vier nieuwe banen met de zelfde vorm(traanvorm) die beginnen in de nucleus. Als we de uiteinden van de traanvorm banen verbinden door een streep, krijgen we een uitlijning die we tetrahedron noemen de vorm lijkt een beetje op een piramide. Voor het water-molecuul zijn twee van de hybride orbitalen in valentieschil van het zuurstofatoom gedeeld met waterstofatomen. Het resultaat is een molecuul met een vorm die lijkt op een V, met zijn covalente bindingen gespreid op ongeveer 104,5 graden. Het methaan(CH4) molecuul heeft de vorm van een complete tetrahedron(piramide) dit komt doordat alle koolstof(C) banen gebonden zijn met waterstof(H) en hun banen delen. De kern van koolstof is in het centrum, die met zijn vier covalente bindingen uitstraalt naar waterstof kernen op de hoeken van de tetrahedron. grotere moleculen met meerdere koolstofatomen, waaronder vele van de moleculen die levende materie vormen, hebben meer complexe vormen. Hoewel hierin is vaak de tetrahedron vorm meerder malen in te herkenen.
Chemische reacties maken en breken bindingen.
Het maken en breken van chemische bindingen die leiden tot veranderingen in de vorm van materie noemen we chemische reacties. De reactie tussen water(H) en zuurstof(O) is een mooi voorbeeld. Deze reactie breekt de covalente binding tussen H2 en O2 en vormt nieuwe bindingen van H2O. Als we een chemische reactie opschrijven gebruiken we pijlen om aan te tonen wat de begin materie was en wat het reactie product is geworden. De begin materie staat aan het begin en de pijl gaat vanuit het begin naar het reactie product. Tijdens een reactie gaat niks verloren dus als we een reactie tussen H2 en O2 opschrijven zal dat H2O2 worden. Reacties kunnen geen materie vernietigen op creëren een reactie zorgt alleen maar voor het opnieuw verdelen van de atomen in hun volgorde. Bij fotosynthese wordt 6CO2+6H2O omgezet in C6H12O6 + 6O2. De materialen die bij fotosynthese gebruikt worden zijn koolstofdioxide(CO2) ,wat uit de aarde en lucht wordt opgenomen, en water(H2O) wat uit de grond wordt opgenomen. In de bladgroen korrels wordt met behulp van zonlicht glucose(C6H12O6)en zuurstof(6O2) gevormd. De fotosynthese is dus een reactie van stoffen met behulp van zonlicht. Ook gaat hier geen materie verloren. De - à die bij reacties wordt weergegeven geeft aan welke stof wordt omgezet in de reactiestof. Als er twee pijlen staan dan geeft dit aan de reactie weer terug gezet kan worden. Een van de factoren die invloed heeft op de snelheid van een reactie is de concentratie van de reactanten. Hoe groter de concentratie, hoe vaker ze botsen met elkaar en n de gelegenheid hebben om te reageren en producten te vormen.
Â