Diversiteiten 2 hoofdstuk 34
500 miljoen jaar van ruggegraat.500 miljoen jaar van ruggegraat.Vroeg in het cambrium zon 530 miljoen jaar geleden, was er een enorme variteit van dieren die de aarde bewoonden. Predatoren gebruikten sherpe klauwen en tanden om hun prooi te vangen en te verscheuren. Hierdoor hadden veel dieren een bescherming in de vorm van een schild of stekels. Chordadieren hebben een chorda en een dorsaal holle zenuwstreng. Gewervelden zijn een onderdeel van de fylum chordadieren. Chordadieren zijn bilaterale dieren, binnen bilateria, behoren ze tot de clade dieren die ook bekend staan als deuterostomen. De meeste bekende deuterostomen, naast gewervelden, zijn stekelhuidingen. Twee groepen van ongewervelde deuterostomen, de cephalochordaten en urochordaten, zijn meer verwant aan gewervelden dan andere ongewervelde. Overgeerfde kenmerken van chordadieren. Alle chordadieren delen een set van overgeerfde kenmerken, bij de meeste dieren is dit alleen te zien tijdens de embryo fase. Chordadieren hebben vier belangrijke kenmerken: Notochord, een rug, een holle zenuwstreng, een faryngael en een gespierde staart. NotochordChordadieren dragen hun naam door hun skeletstructier, de notochord, is bijvoorbeeld te vinden in alle chordadieren embryos en sommige volwassen chordadieren. De notochord is een lange flexibele staaf die tussen het verteringskanaal en het zenuwstreng zit. Het is opgebouw uit grote vloeistof gevulde cellen die ingesloten zitten in een stijf vezelweefsel. Het notochord geeft skelet ondersteuning, het geeft ook een sterke maar flexibele structuur waar spieren tegen kunnen werken tijdens het zwemmen. Bij de meeste gewervelden vormt zich een complexer skelet dat op meerdere plekken verbindingen heeft om het notochord heen. Bij mensen is het notochord gereduceerd tot de disks die tussen de wervels zitten. Rug en holle zenuwstreng.Het zenuwstreng van chordadieren ontwikkeld zich uit een ectoderme plaat, die dorsaal uitrolt naast het notochord. De daaruitvoorkomende rug met zenuwstreng is een uniek kenmerk van chordadieren. De zenuwstreng van een chordadier embryo ontwikkeld zich tot het centrale zenuwstelsel, de hersenen en het ruggemerg. Faryngael spletenHet spijsverteringskanaal van chordadieren begint bij de mond en eindigt bij de anus. Het deel wat direct na de mond komt heet de keelholte(pharynx). Bij alle chordadieren embryos vormen zich een serie zakken onderbroken door groeven zich langs de keelholte. Bij de meeste chordadieren zijn deze groeven pharyngaal spleten genoemd ze ontwikkelen naar spleten die een opening vormen van het lichaam naar buiten. De spleten zorgen ervoor dat water wat in de mond binnen komt er via deze spleten weer uit kan. De spleten zijn suspesievoeding mechanismen bij ongewervelden. Bij gewervelden(met uitzondering van de gewervelden met poten, tetrapoden) worden deze faryngael spleten, spleten die helpen bij de gasuitwisseling(kieuwen). Bij tertrapoden vormen deze faryngael spleten geen opening naar buiten het lichaam inplaats hiervan spelen ze een belangrijke rol bij onderdelen van het oor en andere structuren in de nek en het hoofd. Gespierde staart.Chordadieren hebben een staart die verder gaat waar de anus ophoudt, bij veel chordadieren word de staart gereduceerd tijdens embryo ontwikkeling. De meeste chordadieren hebben een verteringskanaal dat over het hele lichaam rijkt. De chordadier staart bevat skeletstof en spieren, het zorgt bij veel waterdieren voor de voortstuwing. LanceletsDe dieren die lancelet worden genoemd krijgen hun naam door hun zwaardachtige lichaamsvorm. In larvevorm ontwikkelen lancelets een notochord, rug, hol zenuwstreng, verscheidene faryngael spleten en een staart. De larven voeding zicht met plankton. Ze bewegen zich voort door opwaards te zwemmen en zich daarna naar de beneden te laten zakken. Op het moment dat de larven zinken vangen ze veel plankton in faryngael. Volwassen lancelets kunnen ongeveer 5 cm groot worden. De behouden de belangrijke kenmerken van chordadieren. Wanneer een lancelet volwassen is geworden zwemt hij naar de zeebodem en wurmt zich daar tussen het zand, waar hij alleen zijn voorkant zichtbaar heeft. Cilia zorgen ervoor dat er zeewater in de lancelet zijn mond komt. Slijm dat uitgescheiden word vormt een net dat kleine voedseldeeltjes uit het water filtert. De faryngael spleten spelen een kleine rol bij gaswisseling dit gebeurd voornamelijk door diffusie over het hele lichaam van het dier. Manteldieren.In tegenstelling van wat eerder altijd gedacht werd tonen recente moleculaire studies aan dat manteldieren dichter verwant zijn aan andere chordadieren dan dat ze zijn aan lancelets. De larven gebruiken hun staartspieren en notochord om door het water te zwemmen op zoek naar een stevig substraat waar ze kunnen leven. Wanneer een manteldier zich heeft gesetteld op een substraat ondergaat het een metamorfose waarbij het grootste dier van zijn chordadier kenmerken verdwijnen. Zijn staart en notochord worden gereabsorbeerd en zijn zenuwstelsel degenereerd. Zijn overgebleven organen draaien 90 graden. Als volwassen manteldier krijgt een manteel water binnen door een siphon, het water komt door de faryngael spleten in een kamer die het atrium heet en verlaat het lichaam weer door een siphon. Manteldieren hebben 9 hox genen waar alle chordadieren die tot nu toe bestudeerd zijn er 13 hebben. Vroege chordadieren evolutie.Ondanks dat manteldieren en lancelets weinig bekende dieren zijn zijn ze wel terug te vinden op belangrijke punten van het chordadier evolutie. Ze hebben veel van de overgeerfde kenmerken die worden gedeeld door gewervelden, hierdoor kunnen ze ons tips geven over de evolutie van gewervelden. Lancelets hebben een aantal kenmerken van chordadieren wanneer ze volwassen zijn, hun soort stamt af van de basis van de fylogenetische boom van chordadieren. Deze bevindingen suggesteren dat de eerse chordadieren waarschijnlijk veel leken op de lancelets. Daarmee bedoelen we: hij had een voorkant met een mond, een notochord, een rug, een holle zenuw, faryngael spleten en een staart. |
|
|




